Het begrip intelligentie Parijs 1904: de Franse minister van onderwijs vraagt de psycholoog Alfred Binet iets te ontwerpen waardoor die leerlingen geselecteerd kunnen worden, die het risico lopen te mislukken in het basisonderwijs. Binet ontwikkelde de eerste intelligentietest.
Het idee ontstond dat er iets was dat ‘intelligentie’ genoemd werd, wat objectief gemeten kon worden en teruggebracht tot één getal, het IQ. Harvard, eind van de 20e eeuw: Howard Gardner zet grote vraagtekens bij dit idee. Zeker bij de aanname dat iedereen een vaste hoeveelheid intelligentie heeft. Waarmee je wordt geboren en waarmee je het moet doen de rest van je leven. Veel intelligent gedrag is namelijk leerbaar. En: menselijke capaciteiten zijn veel breder dan het beperkte gebied dat door het IQ bestreken wordt. En dan wordt IQ ook nog bepaald buiten de leeromgeving met geïsoleerde opdrachten die iemand nooit eerder deed en waarschijnlijk ook nooit meer zal doen.
Intelligentie heeft, volgens Gardner, vooral betrekking op de bekwaamheid om problemen op te lossen, vragen op te roepen, iets te vervaardigen (bouwsel, schrijfsel, contact, product) in een gewone en betekenisvolle omgeving.
Het benutten van sterktes Nu we ‘intelligentie’ op zo breed en betekenisvol kunnen hanteren, geeft dat veel praktische mogelijkheden. De acht intelligenties zoals Gardner die onderscheidt, leveren evenveel competenties van leerlingen op.
Een voorbeeld: Robbert is in taalgebruik (verbaal-linguïstische intelligentie) niet zo sterk ontwikkeld, maar is wel een scherpe, gedetailleerde waarnemer met oog voor kleine verschillen en overeenkomsten tussen planten, dieren, voorwerpen (naturalistische intelligentie). Hij is ook graag met zijn lijf iets aan het doen (lichamelijk-kinesthetische intelligentie). In ons taalonderwijs ( Robbert’s minder sterke kant) nemen we activiteiten op waardoor Robbert via handelend bezig zijn en via scherp waarnemen zich met de taal-leerstof kan bezig houden. Zo gebruiken we zijn sterkere intelligenties als toegang tot minder sterke leerstof (1). Door een breed activiteitenaanbod ontwikkelen we ook de minder sterke intelligenties van Robbert (2), met erkenning van zijn talenten door onszelf en door medeleerlingen (3).
Matchen, stretchen, vieren Bij Robbert werkt HINTS goed om hem woordbetekenissen te laten leren: samen met andere leerlingen is hij bezig een rijtje woorden uit te beelden, die dan door anderen geraden moeten worden (en omgekeerd). Zijn leerkracht vertelde hoe hij ‘Hints’ speelde met een rijtje uit de taalmethode: glibberen, golven, misselijk, regeren, enz. Later kreeg hij een meerkeuzetoets waarbij hij de juiste omschrijving bij een woord moest aankruisen. “Hij keek bij elk woord omhoog, alsof hij ‘Hints’ voor zich zag. Met een lachje om zijn lippen kruiste hij een antwoord aan. Ik was niet vooral verbaasd dat hij een goede score haalde,” zei ze. “Maar ik had hem nog nooit zien lachen tijdens een taaltoets!" Spencer Kagan ontwikkelde de praktische toepassing van de MI theorie. Hij noemt wat hierboven beschreven werd: matchen, stretchen en vieren.
Ik zette er bij Robbert cijfers bij. Matchen(1) is leerstof koppelen aan sterke intelligenties, stretchen(2) is het ontwikkelen van álle intelligenties, vieren(3) is het expliciet waarderen van ieders sterktes.
Didactische structuren Hints’ is één van de meer dan 100 werkvormen, ontwikkeld door Kagan, waarvan uitgezocht is op welke intelligentie ze een beroep doen. Met behulp van deze ‘didactische structuren’ kan elke les omgebouwd worden tot een MI les. RPCZ maakte de aanpak van Kagan geschikt voor het Nederlandse onderwijs.
Het is een praktische en realistische werkwijze die direct uitvoerbaar is op de werkvloer: in de klas. de didactische structuren kunt u eenvoudig inbouwen in elke les, in elk thema, in iedere reguliere methode Veel MI-activiteiten hebben een nteractief karakter: ze doen zowel een beroep op de individuele capaciteiten als op coöperatief leren in een team. Omdat we de theorie van MI zo waardevol vinden, is deze verwerkt in diverse diensten, producten en materialen.