Voor kinderopvang, primair onderwijs, voortgezet onderwijs en MBO

Een verslag van een traject Leren zichtbaar maken op de Goudenregenschool in Hilversum                                        
9 februari 2017

De Goudenregenschool is met beide locaties in september 2016 gestart met Leren zichtbaar maken. Per locatie is een stuurgroep geformeerd. Onderstaande gaat over de locatie Kerkelanden, een locatie van 120 leerlingen en 10 teamleden met een enorme honger naar het kunnen voorzien in onderwijs dat het verschil maakt, om kinderen volledig in hun kracht te zetten.

Dag 1: We maken kennis met de theorie. Aan het eind van de dag zijn we geboeid en vermoeid. Geboeid want het spreekt aan, het klinkt zo logisch! Vermoeid, want het is veel luisteren en in je opnemen, weinig doen en dat is niet dagelijkse kost voor onderwijsmensen.

Dag 2: is voor de stuurgroep. Fijn om de theorie nog een keer tot je te krijgen en dit te koppelen aan je eigen school. Voor ons gaat het meer leven, voor ons, want bij de rest van het team zakt de theorie van dag 1 een beetje weg. En dan aan de slag met de 0-meting: Hoe staan we er nu voor, waar vinden we de bewijzen voor zichtbaar leren? En o ja, een bewijs kan ook zijn dat er geen sprake is van zichtbaar leren.

‘Wat is een goede leerling?’
We vragen het aan leerkrachten en leerlingen van alle leeftijden.

Leerkrachten zoomen in op gedrag en werkhouding, maar ook op eigenschappen en plezier hebben in leren.
Leerlingen noemen veelvuldig goed luisteren, luisteren naar elkaar en goed werken en ook zelfverzekerd zijn, geen ruzie maken en anderen helpen.
Zo verschillen de antwoorden van ‘de ideale leerling waar je er wel 30 van in een klas kunt hebben’ tot eigenschappen om optimaal te kunnen leren.

We observeren in de groepen in hoeverre vragen worden gesteld, wat voor een soort vragen het zijn, gaan op zoek naar de monoloog versus de dialoog en turven de feedback per niveau. Dit doen we door in iedere groep de camera een uur te laten draaien, gericht op de leerkracht en een groot deel van de groep, en vervolgens met de stuurgroep de observatievragen te beantwoorden.

Tijdens een ronde door de school stellen we de kinderen de vragen: ‘Wat leer je op dit moment? Waarom? Wat zijn je leerdoelen? Hoe weet je wanneer je het onder de knie hebt?’
De kinderen die aan het werk zijn met behulp van Snappet (tablets) kunnen deze vragen vlot beantwoorden. Ze leggen het wel even uit en geven meteen aan aan welke doelen ze nog meer moeten werken, wat ze al bereikt hebben en hoe hun groei verloopt.
Bij alle andere situaties blijken het moeilijk te beantwoorden vragen te zijn. Kinderen kunnen benoemen wat ze doen, maar weten lang niet altijd wat en of ze leren. Dat levert wel de mooiste, soms pijnlijk eerlijke antwoorden op:
‘Wat leer je op dit moment?’ ‘Dit is niet leren, juf, dit is bouwen.’ ‘Ik oefen voor Cito.’
‘Waarom doe je dit?’ ‘Ik wil een groep hoger komen. Het mag van de juf, dit vind ik leuk.’
‘Hoe weet je wanneer je het onder de knie hebt?’ ‘Als de juf het zegt.’
Bij alles behalve het tabletonderwijs liggen volop kansen om leren zichtbaarder te maken.

Woordweb in de teamkamer:
‘Wat heb je vandaag bijgedragen aan de leerontwikkeling van de kinderen?’
En dan volgt er …niets…een zinnetje…nog meer niets…
Dragen we dan niets bij? Doen we niets zinvols? Natuurlijk wel, maar het benoemen blijkt moeilijk. Zoals de kinderen moeite hebben met te benoemen wat ze leren, zo hebben leerkrachten moeite te benoemen wat zij concreet daaraan bijdragen. Je geeft les, volgt het programma, legt uit, maar de concretisering is een volgende stap. Het is ook een stukje trots zijn op wat je doet, niet iets afdoen met ‘dat doe ik toch de hele dag’ en ‘dat is toch gewoon’.

Vragen aan de leerlingenraad:

  1. Wat gebeurt er als je een fout maakt in de klas of een fout antwoord geeft?
    ‘Iemand anders verbetert het, iemand anders geeft het goede antwoord. Een heel enkele keer wordt gelachen om een dom antwoord.’
  2. Wat doe je in de klas als je iets niet begrijpt of niet weet wat je moet doen?
    ‘Dan ga je naar de juf of meester of vraagt het aan een klasgenoot. Of je slaat het over.’
  3. Wie of wat helpt je om meer te leren?
    ‘De juf of meester, soms ook een klasgenoot. De ene leerkracht helpt beter dan de ander. Uitleg op eigen niveau is heel fijn en blijft beter hangen, sommige leerkrachten geven de makkelijkere uitleg en dus niet op je eigen niveau.’

0-meting pfff, pijnlijk duidelijk dat een hele denkomslag gemaakt kan worden. Of volop kansen om met behulp van dit traject de taal, de denkwijze en de focus te verleggen. En dan fietst soms de dagelijkse praktijk er tussendoor, waardoor je even op het verkeerde spoor wordt gezet. Zo beklaagt een ouder zich, dat de hoeveelheid huiswerk minimaal is. En dat is voor de ouder bewijs, dat niet genoeg wordt gedaan om het hoogst haalbare uit de kinderen te halen. We kennen een theorie, die het effect van huiswerk op het leren minimaliseert… Ook ouders moeten we betrekken bij de denkomslag. Dit is een nog onbelicht aandachtspunt.

Dag 3: Herhaling van de theorie – soms herkenning en herinnering, vaker alsof de informatie voor het eerst tot je komt. ‘Waren dit mijn eigen aantekeningen?’ Toch is onbewust de theorie niet al te ver weggezakt en met zicht op de praktijkopdracht is het ook mogelijk om het concreet te maken. De leerkrachten gaan na deze dag aan de slag en veel leerkrachten komen al tot plannen. Het helpt om te benoemen en ontdekken wat we in de school al bijdragen aan leren zichtbaar maken. De gewenste situatie is niet zo ver weg als het soms lijkt. Dus het doel, een zichtbaar lerende school worden, is haalbaar. Ook de leerkracht wil graag zien en ervaren, dat de uitdaging niet te groot is. Ook voor de leerkracht moet het leren zichtbaar zijn en precies op dat punt van de ontwikkeling zijn we nu beland.

Mariska Zwart-Toxopeus

Directeur Goudenregenschool Kerkelanden

Hilversum